In 1875 stichtte Wigboldus de kalkbranderij in Kostverloren. In deze kalkbranderij werd metselkalk geproduceert.
In de kalkovens werden schelpen verhit tot een temperatuur van 900 tot 1200 graden Celsius. Als brandstof werd meestal turf gebruikt. Na verhitting ontstond ongeblust kalk (calciumoxide). Na het blussen met water verkrijgt men gebluste kalk (kalkhydraat). De gebluste kalk werd gezeefd en eventueel fijn gemalen. Wanneer de zo ontstane metselkalk wordt vermengd met zand en water en kan het als mortel worden gebruikt bij metselwerk. Vroeger werd deze metselmortel toegepast totdat het werd verdrongen door het huidig toegepaste cement. De kalkbranderij van Wigboldus is tot in de jaren '60 actief geweest met het produceren van metselkalk.